Uw boekhouding laten doen?

Zorgeloos boekhouden begint hier!


Overgangsregeling MRB geen discriminatie

18 mei 2015

Volgens Rechtbank Zeeland-West-Brabant is er geen sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel en het discriminatieverbod ten aanzien van de leeftijdsverhoging in de oldtimerregeling. De overgangsmaatregel voor auto’s ouder dan 25 jaar maar jonger dan 40 jaar is juist getroffen met het oog op de ‘echte’ oldtimerliefhebber die zijn motorvoertuig hobbymatig gebruikt. Dit blijkt uit een proefprocedure.

Een belastingplichtige is volgens het kentekenregister sinds 17 juni 2006 eigenaar van een BMW, die voor het eerst in 1985 is toegelaten. De eigenaar gebruikt die auto niet dagelijks. Hij heeft een andere personenauto die hij voor het dagelijks verkeer gebruikt. Uit een brief van de inspecteur van februari 2011 blijkt dat de BMW sinds 16 december 2010 voldoet aan de voorwaarden voor vrijstelling van motorrijtuigenbelasting voor een auto van 25 jaar en ouder. Sinds 1 januari 2014 is de leeftijdsgrens voor oldtimers die onder die vrijstelling vallen verhoogd naar 40 jaar. Voor auto’s die voor 1 januari 1988 voor het eerst in gebruik zijn genomen geldt een overgangsregeling. Voor dergelijke auto’s is het belastingbedrag van € 120 per kalenderjaar, met dien verstande dat de auto in de maanden januari, februari en december niet mag worden gebruikt. De eigenaar van de BMW heeft gebruik gemaakt van deze overgangsregeling en heeft daar vervolgens bezwaar en beroep tegen aangetekend. Hij vindt dat de auto nog steeds onder de vrijstelling moet vallen.

Vaststaat dat de BMW op 1 januari 2014 niet aan de dan geldende wettelijke regeling voldeed. Daarmee is de vrijstelling zoals die tot 1 januari 2014 gold van rechtswege komen te vervallen. Uit de brief van de inspecteur van februari 2011 kan volgens de rechtbank niets anders worden afgeleid dan dat daarin is vastgelegd wat de gevolgen zijn van het op dat moment geldende wettelijk regime. Nergens kan uit worden afgeleid dat de vrijstelling, zoals de eigenaar aanvoert, ook na wijziging van dat wettelijk regime zou gelden. Uit de wetsgeschiedenis leidt de rechtbank af dat bij de invoering van de Wet MRB 1994 een beperkte vrijstelling voor oldtimers is geïntroduceerd omdat van dergelijke voertuigen slechts een beperkt gebruik van de weg werd verwacht. De aanscherping van de voorwaarden per 1 januari 2014 was vooral bedoeld om paal en perk te stellen aan de forse toename van oneigenlijk gebruik van de oldtimerregeling.

De door de wetgever gemaakte keuzes vallen naar het oordeel van de rechtbank binnen de voor de wetgever geldende ruime beoordelingsvrijheid. Het beroep op schending van het gelijkheidsbeginsel en het discriminatieverbod in de zin van artikel 26 IVBPR en artikel 14 EVRM faalt. Verder blijkt uit de wetsgeschiedenis dat de wetgever de vrijstelling van motorrijtuigenbelasting in het leven heeft geroepen om houders van oldtimers te stimuleren tot het behouden van cultureel erfgoed. Door de substantiële toename van het aantal oldtimers door de jaren heen is de oldtimerregeling zoals die tot 1 januari 2014 gold zijn doel voorbij is geschoten. De wetgever wil met de wetswijziging een verdere toename van de import van (jonge) onzuinige en vervuilende oldtimers beperken. Daarmee is de wetgever naar het oordeel van de rechtbank niet getreden buiten de ruime beoordelingsmarge die hem toekomt onder artikel 1 van het EP. Bron: Rb. Zeeland-West-Brabant 09-04-2015

Betaalbaar & Altijd Maatwerk voor onze Klanten!