Uw boekhouding laten doen?

Ervaar zorgeloos boekhouden en haal het maximale uit uw bedrijf.


Transitievergoeding leidt niet tot onoverkomelijke problemen

19 januari 2015.

In antwoord op Kamervragen over de transitievergoeding geeft minister Asscher aan dat hij geen onoverkomelijke problemen verwacht voor werkgevers. Vorig jaar had werkgeversvereniging AWVN gemeld dat de regeling voor de transitievergoeding onredelijk zou uitwerken voor werkgevers die veel met seizoensarbeid werken.

Per 1 juli 2015 moet een werkgever een transitievergoeding betalen aan de werknemer bij beëindiging van een arbeidsovereenkomst van ten minste twee jaar. Omdat bij de transitievergoeding ook voor het verleden geldt dat een keten van arbeidsovereenkomsten pas wordt doorbroken bij een tussenpoos van minimaal zes maanden, zou dit volgens AWNV nadelig uitpakken bij seizoenswerk. Het zou dan kunnen voorkomen dat een werkgever bij het einde van het seizoenswerk een transitievergoeding moeten betalen, waarbij voorgaande perioden van seizoenswerk meetellen indien de onderbreking telkens minder dan zes maanden is geweest. Naar aanleiding hiervan heeft het Kamerlid Mulder (VVD) vragen gesteld aan minister Asscher. Zij wil van de minister weten waarom bij de berekening van de transitievergoeding voor de periode voor 1 juli 2015 ook een onderbrekingsperiode van 6 maanden wordt gehanteerd in plaats van 3 maanden (die tot 1 juli 2015 geldt)?

In zijn beantwoording geeft minister Asscher aan dat de regeling van de transitievergoeding onmiddellijke werking heeft (geen terugwerkende kracht). Zij geldt in beginsel voor iedere werknemer die op of na 1 juli 2015 wordt ontslagen, waarbij geen onderscheid wordt gemaakt tussen vaste en flexibele werknemers. Voor de transitievergoeding telt ook de periode van voor 1 juli 2015 mee.

Arbeidsovereenkomsten die elkaar met een tussenpoos van 6 maanden of minder opvolgen, worden voor het bepalen van het recht op een transitievergoeding (en de omvang hiervan) samengeteld. Voor de periode tot 1 juli 2015 is er niet voor gekozen deze zogenoemde onderbrekingsperiode te stellen op 3 maanden, omdat het hier gaat om een nieuwe regeling. De veronderstelling dat tot 1 juli 2015 een onderbrekingsperiode van 3 maanden geldt is dus onjuist. Die onderbrekingsperiode geldt wel voor de ketenregeling. Volgens het overgangsrecht wordt daarbij voor de periode voor 1 juli uitgegaan van een onderbrekingsperiode van 3 maanden. De transitievergoeding is echter een nieuwe regeling waarvoor geen vergelijkbaar overgangsrecht geldt. Zou wel voor 1 juli een onderbrekingsperiode van 3 maanden worden gehanteerd dan zou dit leiden tot een onderscheid tussen vaste en tijdelijke werknemers. Dat zou tegengesteld zijn aan het uitgangspunt dat voor het recht op een transitievergoeding geen onderscheid wordt gemaakt tussen tijdelijke en vaste werknemers.

Overigens verwacht Asscher niet veel problemen voor werkgevers. Niet altijd zal een transitievergoeding aan de orde zijn en voor kleine werkgevers is voorzien in een overgangsregeling (bij beëindiging van een arbeidsovereenkomst wegens bedrijfseconomische redenen die het gevolg zijn van een slechte financiële situatie van de werkgever mogen perioden voor 1 mei 2013 buiten beschouwing worden gelaten). Ook is volgens de minister de opbouw van de transitievergoeding (1/3 maandsalaris per dienstjaar) niet zodanig dat werkgevers hierdoor voor onoverkomelijke problemen zullen worden gesteld.

Bron: Min SZW 9-01-2015

Financieel Administratieve Dienstverlening Op Maat