Uw boekhouding laten doen?

Zorgeloos boekhouden begint hier!


Dringende morele verplichting

21 januari 2015.

Vorig jaar oordeelde de Hoge Raad dat een bijdrage in het levensonderhoud van een stiefouder mogelijk een dringende morele verplichting kan zijn, waardoor recht bestaat op persoonsgebonden aftrek in verband met een lijfrente-uitkering. Hof Den Bosch moest bepalen of op het moment van overlijden van de erflater sprake was van een dergelijke morele verplichting.

Een vader heeft in zijn testament bedongen dat zijn kinderen, de erfgenamen, maandelijks een lijfrente-uitkering betalen aan zijn vriendin. De kinderen hebben hiertoe een rekening geopend waarvan maandelijks een bedrag wordt overgemaakt. De echtgenoot van de dochter brengt haar deel van de maandelijkse uitkering als persoonlijke verplichting in aftrek in zijn aangifte IB. In de eerste jaren wordt die aftrek geaccepteerd. Vanaf 2007 weigert de inspecteur de aftrek, omdat het geen onderhoudsverplichting vormt op grond van een wettelijke of morele verplichting. De Hoge Raad bepaalt dat in dit geval, waarin de in rechte afdwingbare verplichting tot het doen van een lijfrente-uitkering in het leven wordt geroepen door een testament, bepalend is of de dringende morele verplichting daartoe rustte op de erflater. Vaststaat dat het hier niet gaat om een uit het familierecht voortvloeiende wettelijke verplichting. Hof Den Bosch moet onderzoeken of op het moment van overlijden van de vader sprake is van een dringende morele verplichting. De beoordeling of sprake is van een aftrekbare periodieke uitkering heeft plaatsgevonden naar aanleiding van de aangifte van de echtgenoot van de dochter over het jaar 1997. Volgens het hof kan onder die omstandigheden niet van de dochter worden gevergd dat zij thans na zoveel jaar nog bewijs levert dat de maatschappelijke positie en vooruitzichten van de vriendin van vader destijds zodanig waren dat vader zich niet gedrongen kon voelen tot het in het leven roepen van de onderhavige lijfrenteverplichting. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt mee dat de inspecteur aannemelijk moet maken dat de betreffende onderhoudsverplichting met ingang van april van het jaar 2007 niet langer als onderhoudsverplichting kan worden aangemerkt.

Het hof vindt dat de inspecteur niet aan de op hem rustende bewijslast heeft voldaan. De omstandigheid dat de vriendin en vader de officiële instanties niet hebben geïnformeerd over hun samenwoning, doet er niet aan af dat zij gedurende een periode van 6 tot 7 jaren hebben samengewoond. Een dergelijke, gelet op de leeftijd van vader en zijn vriendin, relatief lange periode van samenwoning, kan bij de bepaling van de op het moment van overlijden van vader bestaande maatschappelijke positie en vooruitzichten van de vriendin niet worden veronachtzaamd. Voor de bepaling van die positie en vooruitzichten is niet doorslaggevend dat de vriendin direct na het overlijden van vader (noodzakelijkerwijs) naar haar eigen woning is teruggekeerd, ook moet rekening worden gehouden met het sociale milieu waarin de vriendin tijdens de samenwoning met vader verkeerde en na het overlijden van vader is komen te verkeren. De inspecteur heeft alleen de financiële positie waarin de vriendin vóór en na de samenwoning met vader mogelijk heeft verkeerd aangevoerd (exacte gegevens heeft de inspecteur niet voorhanden). Ten slotte heeft de inspecteur niet weersproken wat de dochter in haar conclusie van 13 december 2013 daarover heeft gesteld, te weten dat de vriendin heeft samengewoond met een vermogend man, met veel ‘uitjes en etentjes’ en dat van belang is dat zij na de samenwoning kon blijven leven zoals ze min of meer gewend was te doen met vader. De dochter wordt in het gelijk gesteld.

De tegen deze uitspraak ingediende klachten bij de Hoge Raad leiden niet tot cassatie. Bron: Hof Den Bosch 03-07-2014; HR 16-01-2015

Betaalbaar & Altijd Maatwerk voor onze Klanten!