Uw boekhouding laten doen?

Zorgeloos boekhouden begint hier!


Hof Den Bosch: BOF geen ongeoorloofde discriminatie

24 april 2013.

Hof Den Bosch heeft de inspecteur in zijn hoger beroep tegen de uitspraak van Rechtbank Breda inzake de discriminerende werking van de BOF in het gelijk gesteld. Door de toepassing van de BOF te beperkten tot echt ondernemingsvermogen is de wetgever zijn beoordelingsvrijheid niet te buiten gegaan.

De zaak was als volgt. Een ongehuwde landbouwer heeft de pachter van zijn landbouwgrond (de kleinzoon van zijn broer) als erfgenaam aangewezen. De landbouwer dreef tot 2004 een landbouwbedrijf. Na de staking van zijn onderneming heeft de landbouwer de grond aan zijn erfgenaam verpacht. In 2007 overlijdt de landbouwer. Na afgifte van enkele legaten bedraagt de verkrijging van de erfgenaam zo’n € 530.725, de waarde van de voormalige onderneming. Daar de onderneming in 2004 is gestaakt, vormt het vermogen op het moment van de verkrijging door de erfgenaam geen ondernemingsvermogen meer en kan geen beroep worden gedaan op de bedrijfsopvolgingsfaciliteiten.

De erfgenaam vindt echter dat hij op grond van het discriminatieverbod (art. 26 BUPO en art. 14 EVRM) wel recht heeft op de bedrijfsopvolgingsfaciliteiten. Het hof komt de erfgenaam in zoverre tegemoet dat hij terecht een beroep doet op het discriminatieverbod uit de verdragen. De vraag is vervolgens of er een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat die (gelijke) gevallen in verschillende zin regelen. Het hof geeft aan dat de wetgever naast de oorspronkelijke doelstelling van de bedrijfsopvolgingsfaciliteiten – voorkomen dat een bedrijf in de problemen komt door het betalen van successierecht – een andere rechtvaardigingsgrond is gaan hanteren. Namelijk het waarborgen van de continuïteit van de onderneming ook wanneer het betalen van successierecht niet op betalingsproblemen stuit.

Het hof is van mening dat de maatschappelijke betekenis van de continuïteit van een (‘echte’) onderneming van erflater anders is dan de continuïteit van niet-ondernemingsvermogen van erflater. De continuïteit van een (‘echte’) onderneming van erflater is onder meer van belang voor behoud van de werkgelegenheid en economische diversiteit. Vervolgens dient de vraag beantwoord te worden of het verschil in behandeling niet disproportioneel is. Uit het oogpunt van eenvoud en uit een oogpunt van voorkoming van oneigenlijk gebruik heeft de wetgever om de continuïteit van een (‘echte’) onderneming van erflater te waarborgen de eis gesteld (1) dat hetgeen erflater nalaat en de erfgenaam verkrijgt en voortzet een (‘echte’) onderneming is en (2) dat de verkregen onderneming door de erfgenaam minstens vijf jaren wordt voortgezet.

Deze eisen zijn zodanig geschikt de continuïteit van een (‘echte’) onderneming van erflater te waarborgen dat het hof van oordeel is dat de wetgever zijn beoordelingsvrijheid niet te buiten is gegaan. Het percentage van de vrijstelling is daarbij niet van belang. Bron: Hof Den Bosch 18-04-2013

Financieel Administratieve Dienstverlening Op Maat